Met S&L lanceerden we voor de zomer ons veldrapport over de staat van het maatschappelijk middenveld. Met als centrale vraag: wat houdt het middenveld bezig? We vroegen het aan meer dan 400 organisaties, bundelden onze conclusies, en die waren behoorlijk stevig. Het middenveld zit in een perfecte storm.
Maatschappelijke problemen worden groter, middelen staan onder druk en organisaties voelen minder beleidsruimte. Sociale ongelijkheid, klimaat en democratische erosie wegen zwaar door. Tegelijkertijd kampen organisaties zelf met financiële onzekerheid, moeilijke projectfinanciering, planlast, personeelstekorten en een groeiend gevoel dat het beleid hun expertise onvoldoende serieus neemt.
Maar het rapport toont ons ook beweging. Organisaties zoeken nieuwe inkomsten, proberen professioneler te werken en zoeken vaker samenwerkingen op over de grenzen van hun sector heen. Collega Stijn Demuynck zag in die beweging ook wel een aantal blinde vlekken bij het middenveld: concurrentie om middelen, organisaties die hun eigen koninkrijk bewaken en de hardnekkige reflex om grote problemen toch afzonderlijk op te lossen. Zijn bevinding is dat het middenveld in transitie zit en dringend nieuwe financierings-, samenwerkings- en organisatiemodellen nodig heeft.
Onze eigen analyse analyseren
Het rapport was superwaardevol, maar toch miste ik wat in onze analyse. Een slimme lezer ziet dat wij met S&L behoorlijk goed beschrijven wat individuele organisaties overkomt en wat elke organisatie dan te doen heeft om haar toekomst veilig te stellen. Toch adviseren we hen ook om genoeg naar de systemische laag te kijken, naar wat er buiten hun organisatie om allemaal gebeurt en hoe dat hen impacteert. Dat advies moeten we in ons eigen veldrapport meer opvolgen. Want het lijkt me even belangrijk om te kijken naar wat hele sectoren, wat het hele middenveld overkomt. Als je dat doet, kan je pas gaan onderzoeken wat die organisaties er samen aan kunnen doen.
Doe je dat niet, dan beperkt de oplossing zich tot: er is een verandering, pas je aan. “Er is minder geld, dus zoek andere inkomsten.” “De overheid wordt strenger, dus organiseer je efficiënter.” “De druk stijgt, dus bouw meer veerkracht op.” Op zich, allemaal akkoord. Maar de logica is wel te beperkt. Voor je het weet heb je een maatschappelijk frame aanvaard, waar je het gewoon helemaal niet mee eens bent. Dan wordt dat maatschappelijk frame een voldongen feit, hoewel het in de werkelijkheid een politieke keuze is. En politieke keuzes, daar kan je je beter tegen verzetten dan tegen natuurwetten.
“Er is geen geld” is een politieke keuze
Ik heb jarenlang gewerkt als directeur in de sector voor personen met een beperking. Ook toen al, ook daar hoorde ik voortdurend hetzelfde zinnetje: er is geen geld. Doe het met minder. Niets aan te doen. En ondertussen stonden mensen jarenlang op wachtlijsten, de juiste zorg ontzegd. Maar ik heb in die jaren dat frame nooit aanvaard en er actief strijd tegen gevoerd. Er was nooit geld, maar er werden elke beleidsperiode toch nog enkele miljoenen gevonden.
De pot was natuurlijk niet vet en ook niet eindeloos, maar het verzet tegen die politieke keuze, tegen ‘er is geen geld’, bracht wel op. De perfecte storm waar het middenveld zich doorheen moet navigeren is geen feit, het is een frame. Politici willen maar wat graag dat hun beslissingen neutraal lijken, maar dat zijn ze nooit. Het gaat altijd over keuzes. Over waar een overheid geld voor vrijmaakt, wat ze belangrijk vindt én welke groepen sterk genoeg georganiseerd zijn om hun belangen op de politieke agenda te krijgen.
Overheden kunnen wel degelijk enorme bedragen mobiliseren wanneer de politieke wil er is. De echte vraag is welke maatschappelijke functies we belangrijk genoeg vinden om stevig te financieren? En nog fundamenteler: hoeveel middelen willen we als samenleving gezamenlijk ophalen, bij wie en waarvoor? Het middenveld heeft daar volgens mij wel iets over te zeggen en dat is in ons veldrapport onderbelicht gebleven.
Het middenveld verdedigt geen subsidiepot
Het publieke debat over middenveldorganisaties wordt vaak gevoerd alsof ze vooral hun eigen subsidies verdedigen. De eigen overleving of financiering eerst. Dat idee (of verwijt vermomd als waarheid) komt in Vlaanderen geregeld uit rechtse en extreemrechtse hoek naar het middenveld gevlogen. Hoeveel krijgt die organisatie wel? Waarom krijgt ze dat? Is ze niet te groot? Heeft ze niet te veel invloed? Wat doet ze allemaal met dat geld?
Natuurpunt is daar een bijna perfect voorbeeld van. Die organisatie wordt geregeld voorgesteld als een (te?) machtige speler die (te?) veel publieke middelen ontvangt en steeds meer natuurgrond beheert. Maar dat beeld beantwoorden enkel met begrotingstabellen en subsidieverantwoordingen gaat niet lukken. Dan heb je al op voorhand een belangrijk deel van de discussie verloren, want het frame was fout. Natuurpunt verdedigt helemaal geen subsidiepot. Natuurpunt organiseert (of verdedigt) natuur.
En achter die organisatie staan tienduizenden vrijwilligers. Mensen die natuurgebieden beheren, wandelpaden onderhouden, soorten inventariseren, activiteiten organiseren en lokaal draagvlak bouwen. Als je al dat werk volledig professioneel zou organiseren, zou de rekening er totaal anders uitzien. De vraag moet dus niet zijn hoeveel publieke middelen zo’n organisatie krijgt, maar wel hoeveel impact ze maakt, hoeveel natuur, biodiversiteit, publieke ruimte, sociale cohesie, kennis en burgerbetrokkenheid ze genereert. En dat gesprek gaat wel heel anders aanvoelen dan het antwoord op de vraag ‘Hoeveel die organisatie wel niet krijgt’.
Een slag in het gezicht van de vrijwilliger
Neem nu een ander terrein, ons onderwijs. We lezen voortdurend over dalende onderwijskwaliteit, lerarentekorten en groeiende ongelijkheid onder jongeren. Tegelijk bestaan er in Vlaanderen duizenden vrijwilligers die kinderen en jongeren thuis begeleiden, helpen met schoolwerk, ondersteunen bij taal en structuur bieden aan gezinnen die daar nood aan hebben. Zij lossen elke week kleine stukken op van een probleem waar ons formele onderwijssysteem zelf moeilijk vat op krijgt. Maar dat werk verschijnt nauwelijks in het grote verhaal of debat over ons onderwijs.
Hetzelfde zien we gebeuren in sport, jeugdwerk en vrije tijd. Vrijwilligers trainen kinderen, organiseren kampen, leiden jeugdbewegingen, houden sportclubs recht, begeleiden vakantiewerkingen en zorgen mee voor opvang voor en na school. Ze geven kinderen plekken waar ze bewegen, vrienden maken, zich ontwikkelen en ergens bij mogen horen. Allemaal super kostbaar.
Maar dat werk gebeurt niet automatisch of zomaar even vanzelf. Achter bijna elke sterke vrijwilligerswerking schuilt een professioneel kader dat zich focust op het werven, opleiden en versterken van vrijwilligers. Met S&L begeleiden we heel wat van die vrijwilligerstrategieën. We kennen de uitdagingen en zien alle tijd en moeite die erin kruipt.
Stel nu dat die vrijwillige inzet morgen verdwijnt, omdat het professionele kader zogenaamd niet genoeg opbracht, het met minder middelen moet doen. Dan moet iemand al dat vrijwillige werk overnemen. De overheid, betaalde professionals, commerciële aanbieders of gezinnen zelf. Wat gebeurt er dan? Gezinnen met geld kopen goede opvang, sportkampen, bijles en vrijetijdsbesteding. Gezinnen met minder geld vallen uit de boot.
Wanneer dat professionele kader verdwijnt, verdwijnen ook die vrijwilligers en hun positieve impact. Die negeren in de evaluatie is dus onjuist. Vandaag houdt het middenveld veel van die ongelijkheid tegen. Dat mag voor mij wel eens wat luider gezegd worden, want op dit moment zijn de vrijwilligers soms de grootste slachtoffers van het frame dat middenveldorganisaties vooral bezig zijn met hun eigen subsidies. Hun maatschappelijke bijdrage verdwijnt gewoon uit beeld.
Wat vertellen die rechtse politici eigenlijk aan iemand die elke woensdagavond twintig kinderen voetbaltraining geeft wanneer je zijn organisatie beschrijft als een subsidieslurper? Wat vertel je aan iemand die jongeren begeleidt met hun huiswerk? Aan iemand die op zaterdag natuur beheert? Dat ze een kost zijn. Een last. Terwijl net zij gratis maatschappelijke waarde produceren.
“Daarom is het gevaarlijk wanneer wij als S&L en de middenveldorganisaties waar we mee werken meegaan in het frame van schaarste. ”
Wie het frame aanvaardt, verliest
Wat ons veldrapport te weinig naar voren brengt, is dat er naast de individuele uitdaging van organisaties ook een collectieve narratieve strijd moet worden gevoerd. Het middenveld verdedigt en versterkt sociale zekerheid, cultuur, natuur, welzijn, onderwijs, jeugdwerk, rechten en publieke ruimte. Het organiseert mensen rond maatschappelijke noden. Het brengt burgers samen die individueel weinig politieke macht hebben. Het vult gaten die overheid en markt laten vallen en voorkomt soms zelfs dat die gaten nog groter worden.
Daarom is het gevaarlijk wanneer wij als S&L en de middenveldorganisaties waar we mee werken meegaan in het frame van schaarste. Alsof te weinig geld geen keuze is. Als iemand zegt dat er geen geld is en wij antwoorden dat we met minder middelen toch zullen proberen dezelfde impact te maken, dan hebben we de politieke discussie al grotendeels weggegeven.
Als iemand zegt dat de subsidies te hoog zijn en wij gaan enkel uitleggen waarom onze organisatie ze toch nodig heeft, dan blijft de focus op onze begroting liggen, niet op onze impact. De juiste vragen gaan veel verder dan het belang en de opdracht van één organisatie, maar gaan over de samenleving in z’n geheel:
- Wat verliezen we wanneer jeugdwerk verzwakt?
- Wie vangt kwetsbare jongeren op wanneer vrijwillige netwerken uitdunnen?
- Wat gebeurt er met sociale zekerheid wanneer de organisaties die haar verdedigen zich terugtrekken tot dienstverlening?
Ook wij denken soms te klein
S&L helpt individuele organisaties sterker worden. We werken aan strategie, financiering, organisatieontwikkeling, leiderschap en impact. Dat is en blijft waardevol. Maar sommige problemen zijn te groot voor één organisatie of zelfs voor één sector.
Een jeugdorganisatie kan perfect draaien en toch verliezen, zeker wanneer vrije tijd steeds meer geprivatiseerd wordt. Een welzijnsorganisatie kan haar financieringsmodel wel verbeteren, maar tegelijkertijd kunnen onze sociale rechten verder afgebouwd worden. Een natuurorganisatie kan efficiënter werken, maar tegelijkertijd ook politiek terrein verliezen wanneer het maatschappelijke verhaal over natuur kantelt.
Als dat zo is, dan moet je je echt hogerop organiseren en daar zie ik een taak voor de leiders van de grotere maatschappelijke organisaties in Vlaanderen. Mutualiteiten, vakbonden, grote welzijnsorganisaties, natuurorganisaties, sociaal-culturele bewegingen, onderwijsorganisaties, jeugdwerk en sport. Organisaties met leden, gebruikers, vrijwilligers, werknemers, infrastructuur en maatschappelijk vertrouwen.
Ik denk trouwens niet dat we daarvoor meteen een nieuwe structuur nodig hebben. We hebben genoeg logo’s, stuurgroepen en overlegplatformen. Maar we moeten wel meer praten. Eerst informeel. Gewoon gesprekken tussen mensen die elkaar te weinig spreken. Liefst ook tussen organisaties die zichzelf zelden als activistisch omschrijven, de grote gematigde dienstverlenende organisaties die moeilijk kunnen worden weggezet als een kleine radicale minderheid.
Ga in gesprek en stel samen één grotere vraag: welke samenleving willen wij de komende tien jaar verdedigen, en welke gezamenlijke invloed hebben we daarvoor op te bouwen? En vergeet daarbij nooit de gouden regel: je hebt meer invloed dan je denkt.
Uit die eerste gesprekken kan er dan een ander verhaal over ons middenveldverhaal ontstaan. Een verhaal waarin organisaties elkaar verdedigen wanneer één van hen wordt aangevallen. Waarin maatschappelijke waarde centraal staat, niet subsidies, en waarin de discussie over publieke middelen opnieuw over politieke keuzes gaat. Dat was dé blinde vlek uit ons veldrapport. We schreven enkel over een sector onder druk, en spraken niet genoeg over de honderdduizenden mensen die vandaag al georganiseerd zijn, die vandaag al een heel ander verhaal vertellen dan het frame van schaarste als natuurwet.
Ontbijtsessie | Het veldrapport: wat 400 organisaties ons leren over de toekomst van het middenveld
01 oktober 2026, 09:00
Het middenveld staat op een kantelpunt. Maatschappelijke vragen worden zwaarder, terwijl middelen, beleidsruimte en draagkracht niet vanzelf meegroeien. Voor het Veldrapport 2026 luisterde S&L naar meer dan 400 organisaties. Tijdens deze seizoensopening brengen we de belangrijkste patronen samen en vertalen we ze naar de strategische keuzes die nu op tafel moeten komen.
Bekijk het programma